Fosfaat
In de 19e eeuw bleek er, naast goud, nog een ander natuurlijk product te bestaan dat de mogelijkheid tot ontginning had. Op Seroe Colorado, op de uiterste zuid-oostelijke punt van het eiland, kwam guano voor. Deze fosforzure kalk vindt zijn oorsprong in de uitwerpselen door vogels, in casu zeemeeuwen. Er bleek een behoorlijke wereldmarkt te bestaan voor fosfaat dat voor bemesting werd gebruikt.

De ontdekking van guano op Aruba wordt toegeschreven aan J. H. Waters Gravenhorst in 1874, maar al in 1859 schijnt een Amerikaan, S. R. Kimball, die op de Aves-eilanden guano ontgon, een verzoek tot ontginning had ingediend. Of het daar daadwerkelijk van gekomen is, is niet bekend.

In 1871 was er ook al guano ontdekt op Klein Curaçao door de Engelsman John Godden. Zijn ontdekking veroorzaakte een enorme hype op de Antilliaanse eilanden, een soort ‘guanomania’. Ook op Cuaraçao zelf werd guano gevonden en door Godden ontgonnen.
Het fosfaat was heel opvallend door zijn kleur: geel tot roodbruin of leverkleurig, soms groen of paars. Zo heeft Seroe Colorado haar naam gekregen.

Na de ontdekking van Gravenhorst van guano op Aruba, werd tot ontginning overgegaan door de Aruba Phosphaat Maatschappij (APM), opgericht in december 1879. Het centrum van export werd Sint Nicolaas, dat daarvoor alleen uit enkele vissershutten bestond. Door de bedrijvigheid rond de ontginning en export van fosfaat werden daar steeds meer hutten gebouwd. Het begon al een echt dorpje te worden, waar de zeelieden van de schepen die het fosfaat kwamen halen aan de wal vertier zochten. Lokale arbeiders werden aanvankelijk maar met moeite gevonden: dat kwam door de concurrerende industrietak, de goudwinning. Daarom werden er veertig man uit Bonaire gehaald en zo’n twintig metselaars en timmerlieden uit Curaçao. Er werd zelfd een groepje Italianen naar het eiland gehaald om leiding te geven aan de maatschappij; er bleven er uiteindelijk vier op Aruba hangen: Antonio en Victorio Petrocci, Eugenio Falconi en Cajetano Jacopucci. Zij vestigden zich te Tanki Leendert.

De fosfaatwinning betekende de ontplooiïng voor het gehucht Sint Nicolaas. Eerst werd er een houten pier in de haven gebouwd en het fosfaat werd per ezel er naar toe gebracht. In 1881 kwam er nieuw materiaal uit Engeland en New York. De installaties die toen werden aangelegd waren voor die tijd hypermodern. In de Sint Nicolaasbaai werd een ijzeren stijger gebouwd en dat was toen de modernste havenoutillage van het hele Caribische gebied. Voor het transport van het fosfaat naar de haven werd een smalle veldspoorbaan van zes kilometer aangelegd en het fosfaat werd in treinen van ongeveer twintig kipwagens en een stoomlokomotief naar de laadsteiger gebracht. Daar werd het ingeladen in zeilschepen die het naar landen als Engeland, Frankrijk, Duitsland en Amerika brachten om te worden verwerkt tot superfosfaat dat als kunstmeststof werd gebruikt. De fosfaatmaatschappij had een eigen loods en een eigen sleepboot (de ‘S.S. Phosphaat’) om de schepen veilig in en uit de Sint Nicolaasbaai te krijgen. De tijd die nodig was om een schip te laden werd van 15 naar 5 dagen teruggebracht. Drie- tot vijfhonderd ton fosfaat per dag kon er door de pier verwerkt worden. Er werkten in 1882 ongeveer 250 man in de fosfaatindustrie en de lonen waren niet slecht. Men kwam van over het hele eiland om te werken in de fosfaatmijnen; wie in de omstreken van Noord woonde moest zondagmiddag al te voet of op een ezel op weg, overnachtte in Savaneta om maandag te beginnen met werken.  De arbeiders bleven de hele week bij de fosfaatmijnen en sliepen in barakken. Op zaterdag werkte men een halve dag , waarna men de tocht naar huis weer te voet of op een ezel aanving......

De zaken gingen goed en er werd al snel winst gemaakt zodat de leningen voor de investeringen konden worden afgelost. Er kon ook dividend worden uitbetaald.
Het fosfaat werd aanvankelijk ontgonnen op Seroe Colorado en Seroe Culebra. Toen na zo’n vijftien jaar de voorraad aan de oppervlakte van de heuvels was uitgeput werd er dieper in de grond naar fosfaat gezocht. Op een diepte van 15 à 18 meter werden er bij Banki Jerome, iets noordelijker, fosfaatbeddingen ontdekt van gemiddeld 1m.80 dik. Er werden mijnen aangelegd om het materiaal naar boven te halen. Die leverden voor de volgende 15 jaar weer genoeg fosfaat. Het werd met dynamiet losgewerkt nadat er met handboren gaten in gemaakt waren.

Door de exploitatie van het fosfaat waren de inkomsten van het eiland enorm toegenomen en konden ook de andere eilanden van de kolonie Curaçao (de Nederlandse Antillen bestonden nog niet) daardoor onderhouden worden. In de jaren van exploitatie (die duurden tot 1914) werd er 530.060 ton geëxporteerd met een totale marktwarde van bijna 17 miljoen gulden. Aruba wist aan uitvoerrechten ongeveer 4 miljoen gulden te genereren.

Maar in de loop van de jaren werd de fosfaatwinning toch minder winstgevend: naarmate het fosfaat dieper uit de grond gehaald moest worden, werd de kwaliteit minder. Bovendien kwam er sterke concurrentie van fosfaat van goede kwaliteit uit Canada. Ook kwam er goede en relatief goedkope fosfaat uit Florida en daardoor daalde de wereldprijs. De APM merkte dat de kosten om fosfaat te winnen te hoog lagen om nog te kunnen concurreren. Ook al werden de belastingtarieven versoepeld door de overheid, de winsten bleven dalen en de kosten konden uiteindelijk niet meer gedekt worden.
 
Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 kwam de exploitatie van fosfaat helemaal in het nauw. Dynamiet was niet meer te krijgen en de uitvoermogelijkheden werden slechter door de oorlog in Europa. De Aruba Phosphaat Maatschappij stopte in augustus 1914 haar werkzaamheden en een jaar later werd de maatschappij door haar aandeelhouders ontbonden. Arbeiders trokken weer weg en zochten werk in de omliggende landen, Venezuela en Colombia. 

 
< Vorige

[+]
  • Narrow screen resolution
  • Wide screen resolution
  • Auto width resolution
  • Increase font size
  • Decrease font size
  • Default font size
  • default color
  • blue color
  • green color